Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AY3111

Datum uitspraak2006-06-23
Datum gepubliceerd2006-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1292 WAJONG
Statusgepubliceerd


Indicatie

Toekenning WAJONG-uitkering met terugwerkende kracht. Ingangsdatum.


Uitspraak

04/1292 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 januari 2004, reg.nr. 02/2846 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 23 juni 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.J.M. van Asten, advocaat te Eindhoven hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2006. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Asten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. Rutgers. II. OVERWEGINGEN Bij formulier gedateerd 9 december 2001 heeft appellante, geboren in 1969, een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd. Als eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft zij opgegeven 1985. Bij besluit van 16 mei 2002 heeft het Uwv appellante per 9 december 2000 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan dit besluit ligt mede ten grondslag de overweging dat appellante weliswaar eerder arbeidsongeschikt is geworden – reeds op haar 18e verjaardag was zij gedurende 52 weken arbeidsongeschikt – maar dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om af te wijken van het bepaalde in de WAJONG dat een uitkering niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de datum van de aanvraag. Bij besluit van 5 september 2002 heeft het Uwv het door appellante ingediende bezwaar tegen het onderdeel van de beslissing van 16 mei 2002 dat ziet op de ingangsdatum van de uitkering ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 5 september 2002 ongegrond verklaard onder de overweging – kort samengevat – dat geen sprake is van een bijzonder geval dat een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar voor de datum van de aanvraag rechtvaardigt. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zich geen bijzonder geval voordoet. Zij heeft er op gewezen dat eerst in 2001 is onderkend dat zij reeds jaren lijdt aan de zogenoemde borderlinestoornis. Eigen aan deze stoornis is dat de patiënt geen inzicht heeft in de gevolgen van deze aandoening. Appellante had naar haar mening dan ook geen inzicht in de omstandigheid dat zij arbeidsongeschikt was, zodat het voor haar onmogelijk was eerder dan zij heeft gedaan een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid aan te vragen. De Raad overweegt als volgt. Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of zich in het geval van appellante een bijzondere omstandigheid voordoet die het Uwv er toe had moeten brengen appellante per een eerdere datum dan één jaar voor de datum van haar aanvraag een uitkering te verstrekken. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is sprake van een bijzonder geval indien de betrokkene ter zake van de (te) late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Zo een situatie kan aan de orde zijn indien eerst op een later tijdstip duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van de aandoening en de gevolgen daarvan voor de arbeidsge-schiktheid. Appellante heeft een aantal malen kortdurend werkzaamheden verricht. Zij liep echter - zoals zij zelf heeft gemeld - telkens vast in de contacten met anderen, hetgeen leidde tot lichamelijke klachten als gevolg van psychische spanningen. Zij diende haar werkzaam-heden steeds reeds na enkele weken te staken. Het moet appellante dan ook duidelijk zijn geweest dat haar gezondheidssituatie zodanig was dat zij op zijn minst aanzienlijke beperkingen ondervond tot het verrichten van werk. Dit overigens gedurende een periode van meer dan 10 jaar. Van een situatie waarin eerst op een later tijdstip duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van de aandoening en de gevolgen daarvan voor de arbeidsgeschiktheid is mitsdien geen sprake. Dat eerst in 2001 door de behandelend sector de klachten van appellante zijn geduid als behorend bij een “borderlinestoornis” brengt geen verandering in de ernst van de door appellante ervaren klachten. Dat de hulpverleners tot wie appellante zich in het verleden heeft gewend geen verklaring voor haar onvermogen tot het verrichten van arbeid hebben kunnen vinden, brengt de Raad om dezelfde reden niet tot een ander oordeel. Ook anderszins acht de Raad geen situatie aanwezig waarin appellante ter zake van de (te) late aanvraag geen verwijt kan worden gemaakt. Appellante heeft in haar bezwaarschrift onder meer aangegeven dat zij jaren in de veronderstelling heeft geleefd geen recht te hebben op een uitkering. Tijdens de mondelinge behandeling van haar bezwaar heeft zij naar voren gebracht dat de reden dat zij niet eerder een aanvraag heeft ingediend niet alleen was gelegen in haar onwetendheid van het bestaan van de regelgeving, maar evenzo in haar ziektebeeld. Daarbij komt dat uit de verklaring van 7 maart 2003 van de appellante behandelend psychiater waarnaar appellante ter onderbouwing van haar standpunt heeft verwezen weliswaar naar voren komt dat appellante een “borderlinestoornis” heeft, maar dat uit die verklaring geenszins blijkt dat appellante niet in staat is geweest een WAJONG-uitkering aan te vragen. Voorts acht de Raad van belang dat de situatie waarin appellante verkeerde er haar niet van weerhouden heeft een bijstandsuitkering aan te vragen. Hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad niet de conclusie dat het appellante als gevolg van een ziekte waaraan zij lijdt niet in staat is geweest eerder dan zij heeft gedaan een WAJONG-uitkering aan te vragen. Onbekendheid met de regelgeving dient volgens vaste jurisprudentie van de Raad voor rekening en risico van appellante te blijven. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval dat een verdergaande terugwerkende kracht van de WAJONG-uitkering van appellante dan één jaar voor de datum van de aanvraag rechtvaardigt. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006. (get.) J. Janssen. (get.) P.H. Broier. MH